Berichten met label ‘Uitkeringen’

HuisbezoekControle is van alle tijden. Niet alleen de zorgverzekeraars gaan achter dubieuze klanten aan. Ook de sociale dienst. Ik heb in het verleden heel wat huisbezoeken afgelegd. Iedere woensdag ging ik met een collega op pad. We hebben wat gekke gevallen meegemaakt.

In de tijd van deze verhalen waren er in de Bijlmer 18 woningcorporaties actief. Had je een huurschuld bij de een, dan vertrok je naar een woning van een andere corporatie in hetzelfde gebied. Er was grote leegstand en de corporaties waren blij als ze een huis konden verhuren. Het gevolg was dat je huurnomaden kreeg. Mensen die van de ene naar de andere woning trokken. Wij kregen dan ook veel mutaties te verwerken die ook weer gecontroleerd moesten worden. Op de afdeling hadden wij een boek waarin we al die mutaties noteerden en de samenstelling van het gezin dat er woonde. Op die manier konden we snel zien of de adreswijziging klopte en of iemand anders op de woning zat.

Inzage in het Bevolkings Register was er wel, maar niet altijd up to date. Het duurde vaak twee tot zes weken eer een mutatie in het BR verwerkt was. Los van dit probleem waren er veel schijnverlatingen. Vandaar dat de huisbezoeken een noodzakelijk onderdeel van het werk uitmaakten.

’s Ochtends vroeg stappen wij uit de lift op het adres van een eenoudergezin waarvan wij het gevoel hadden dat ze waarschijnlijk samenwoonde. Wie stapt op dat moment in de lift? De man die wij verwachtten op het adres bij mevrouw aan te treffen. Wij konden weer onverrichter zaken naar kantoor. Dat hij toevallig op dezelfde etage in de buurt van het bewuste adres in de lift stapte, is geen bewijs van samenwoning. Toch hebben wij het huisbezoek doorgezet en nog even met de bewuste mevrouw gesproken. Wij hebben haar aangeraden de samenwoning door te geven. Dit keer had ze geluk, maar wie zegt dat het een volgende keer weer zo zou gaan?

Of die andere keer dat wij aanbelden bij een alleenstaande man voor hetzelfde: vermoeden van samenwoning. In de keuken treffen we een dame in onderbroek en Bh, die daar een eitje staat te bakken. Zijn antwoord op onze vraag wie die mevrouw was: “just some stranger visiting”. Ja, ja…

Mijn mede studenten van de HBO gruwelden: maar bij een huisbezoek controleerde ik altijd het balkon. Menig maal troffen we daar een bibberende man of vrouw. Waarop wij natuurlijk vroegen waarom dat was. De aanwezigheid van iemand hoeft geen probleem te zijn, wel een gemeenschappelijke huishouding. Voor het vaststellen van een gemeenschappelijke huishouding is wat meer nodig dan een persoon op een balkon. Het gaat om een aantoonbare financiële verwevenheid, zorg voor elkaar financieel of anderszins en in die tijd, de opgewekte schijn. Presenteert men zich aan de buitenwereld als een stel? Een gemeenschappelijke huishouding is dus niet makkelijk aan te tonen. Als mensen hun aankopen gescheiden doen. Ieder zijn eigen helft in de koelkast en klerenkast heeft en er wordt huur betaald, hoeft er geen probleem te zijn en kan je als woningdeler aangemerkt worden.

Zo herinner ik me ook nog een keer dat ik op huisbezoek ging bij een druggebruiker, waarbij een jonge vrouw met een kind zou wonen in een klein twee kamer flatje. De jonge vrouw had op dat adres een uitkering aangevraagd. Het leek ons onwaarschijnlijk dat een moeder met een kind, zelf niet verslaafd, bij een druggebruiker zou intrekken. Samen met een collega komen we aan bij een smerige flat. Het beton van de galerij voor de flat was glad van vet en vuil. In het huis was niets dat wees op de aanwezigheid van de vrouw en haar kind. Geen kleding en kinderspullen. Wel was het een vreselijke troep en heel, heel erg smerig. Op onze vraag of hij wist waar zijn inwoners waren, kon hij geen antwoord geven. Hij wist duidelijk niet waar wij het over hadden. De uitkering van de vrouw hebben wij beëindigd. Vermoedelijk woonde zij ergens bij een vriend of familie en had zij het adres nodig om aan een (hogere) uitkering te komen.

Er waren veel van dit soort zaken. Zo was er een man die zelf een baan had, maar die in een café hoofdbewonersverklaringen verkocht voor 150 gulden aan mensen die een adres nodig hadden. Er stonden op een gegeven moment 15 personen ingeschreven op het bewuste adres en dan ga je toch eens op bezoek. Vanzelf troffen we niemand aan. De hoofdbewoner was op zijn werk. Een voor een riepen we de onderhuurders op en vroegen aan hen om een tekening van het huis te maken. Als zij er woonden zouden ze toch moeten weten hoe de plattegrond van het huis er uitzag. We kregen 15 verschillende tekeningen en hebben de uitkeringen beëindigd. Het was duidelijk dat deze personen er niet woonden.

Ook hebben wij erg gelachen tijdens een huisbezoek bij een vrouw waar wij tijdens het huisbezoek een man in de huiskamer aantroffen. Volgens haar “de loodgieter”. Gek genoeg stond er een portret van de “loodgieter” naast haar bed!

Zo herinner ik mij ook nog het verhaal van een collega: hij komt binnen bij een klant op een routinecontrole en ziet daar in de huiskamer een monteur van Nuon zitten. Om hem heen zitten een paar grote, zwaar uitgevallen mannen. De man vertelt aan de collega dat hij daar is om de elektriciteit af te sluiten door een energieschuld. De aanwezige mannen waren er om de vrouw te helpen de afsluiting te voorkomen. De collega, ook niet gek, stelt daarop voor, dat zij elk 100 gulden lappen om zo de rekening te betalen. Dat was niet de bedoeling! Een voor een druipen de mannen af en laten de vrouw alleen. Waarna de monteur en mijn collega alsnog hun werk konden doen.

De Sociale Dienst Amsterdam werd in de periode 1981 – 1992 gekenmerkt door veranderingen. De “Reo 92”. Veranderingen in de organisatie zelf en veranderingen in de organisatie van het werk.

Door rayonering wilde men komen tot betere dienstverlening, dichter bij de burger. In de loop van 1981 en 1982 werden daartoe een zevental rayonkantoren geopend.
In 1984 werd besloten niet alleen de binnendienst en buitendienst, het aanvragen van- en het beslissen over uitkeringen, maar de gehele organisatie van betaalbaarstelling van uitkeringen te decentraliseren. De sectie Uitkeringen en Vorderingen (U.V.) moest daartoe gerayoneerd worden wat in 1987 was voltooid. De rayonering van de dienst kwam steeds meer in het teken te staan van het gemeentebrede proces van binnengemeentelijke decentralisatie. Op 14 juni 1989 werd door de Gemeenteraad besloten niet de gehele dienst te decentraliseren maar voorlopig een centrale dienst in stand te houden met in elk stadsdeel een vestiging. Het aantal rayonkantoren nam daardoor toe, in 1997 telde de dienst 17 locaties.

Door de toenemende werkloosheid in de jaren 1980 tot en met 1985 nam de werkdruk toe. Om de dienstverlening op peil te houden werkte de GSD mee aan een landelijk geautomatiseerd systeem voor informatieverwerking voor sociale diensten genaamd “Overdracht aan Personen (O.P.)”. In 1981 en 1982 werd dit systeem ingevoerd.

In 1985 verscheen de nota “De Sociale Dienst in de Branding”. Met name de kwaliteit van de dienstverlening en richtlijnen en uitgangspunten met betrekking tot fraudebestrijding kwamen daarin aan bod. Deze nota werd in 1988 opgevolgd door de nota “De Sociale Dienst op weg naar verbetering van Kwaliteit” en een evaluatierapport uit 1990. In 1989 begon men een reorganisatie voor te bereiden die in 1992 werd voltooid. Voor alle afzonderlijke medewerkers bepaalde men opnieuw wat er met hun functie zou gebeuren. (bron: stadsarchief Amsterdam)

Dat gebeurde dus ook met mijn baan. Bij iedere reorganisatie zat ik opnieuw in de stress. Het spookbeeld van werkloosheid speelde altijd door mijn hoofd. Ik heb in de 29 jaar bij de gemeente Amsterdam zeker 11 reorganisaties meegemaakt. Variërend van kleine, tot heel grote. Tot ontslag is het nooit gekomen, in tegendeel, meestal was het een kans. Een groeikans.

Aanstellingsbesluit reo 1992De Bijlmermeer was het meest roerige stukje Amsterdam. Niet alleen door de problemen in de wijk, de hoge huren en de constante instroom van nieuwe bevolkingsgroepen, maar ook het rayonkantoor Bijlmermeer was een aparte enclave binnen de GSD.

Ik heb er nooit precies de vinger op kunnen leggen, maar er waren veel spanningen tussen het management. Je had naast de groepschefs, een chef binnendienst en een chef buitendienst en daar weer boven een rayonmanager. De verhoudingen tussen de chef buitendienst en sommige groepschefs was niet geweldig. Ook waren er spanningen tussen de groepschefs onderling. Doorheen speelden allerhande etnische vooroordelen. Er heerste bij sommige personen een sfeer van cliëntelisme. Voor wat, hoort wat. Het mocht niet hard uitgesproken worden en het werd ontkent, maar een feit is dat er sprake was van allerhande “bondjes” waarbij mensen probeerden elkaar een voet dwars te zetten. De acties waren voornamelijk tegen de chef buitendienst gericht en sommige witte groepschefs. Het woord “discriminatie” lag in de mond bestorven. Het gevolg was dat er meerdere onderzoeken kwamen naar de bedrijfscultuur in Zuidoost die alle tot doel hadden te komen tot betere verhoudingen en werksfeer.

Ook speelde in die tijd een continue actie van het Parool, waarin voor mijn gevoel bijna dagelijks werd “ingehakt” op de medewerkers van de Sociale Dienst. Dat creëerde een sfeer waarin wij het gevoel hadden dagelijks tegen de bierkaai in te zwemmen. In 2001 ontstond een crisis tussen de rayonmanagers en de directie van de GSD, waardoor de situatie verder verslechterde. Er was nog steeds sprake van een groot personeelsgebrek en een grote werkdruk. Het bleef roeien met de riemen die we hadden waardoor zaken als fraude en rechtmatigheid van de uitkeringen ondergesneeuwd raakten.

Zo kan ik mij nog goed herinneren hoe de heronderzoeken “afgehandeld” werden. Stapels formulieren werden “teruggemeld” in het systeem, zonder dat er verder naar gekeken werd. Er was gewoon geen tijd om hier aandacht aan te besteden, er was een hoog ziekteverzuim en afdelingen waren meestentijds onderbemenst. In de tussentijd was er weer een nieuwe directeur aangesteld over wie de gekste verhalen in de rondte gingen. Het was volgens deze verhalen een “aparte” dame die weinig respect kon opbrengen voor de rayonmanagers. Dit leidde dan ook tot een aanvaring die afgesloten werd met het vertrek van deze directeur.

In een onderzoek van accountantskantoor KPMG van 30 maart werd over een niet werkbare situatie gesproken, 8 Rayonmanagers zegden het vertrouwen in de directeur, mevrouw Y. Baune, op die daarop haar functie neerlegde. Zij werd opgevolgd door drie achtereenvolgens optredende directeuren die slechts korte tijd hun functie vervulden.

Ik heb in de jaren bij de Sociale Dienst en haar opvolgers DWI en IWP heel wat directeuren en leidinggevenden zien komen en gaan. “Overvliegend management” noemden wij dat. Ze komen, schijten wat, en gaan weer heen. Onder deze titel publiceerde De Telegraaf een artikel over de crisis na het vertrek van mevrouw Baune.

AMSTERDAM – De sociale dienst in Amsterdam blijkt een enorme achterstand te hebben bij het natrekken van mogelijke bijstandsfraude. Meer dan 50.000 dossiers, die werden aangelegd na tips van de Belastingdienst, wachten nog op nader onderzoek. In het ergste geval beloopt het totale fraudebedrag ƒ65 miljoen.

Dit blijkt uit het eerste rapport van de interim-directeur van de Gemeentelijke Sociale Dienst (GSD), Jan Maurits de Jonge. Hij moet orde op zaken stellen bij de dienst na het gedwongen vertrek van de directieleden Yvonne Baune en Wim van Lijnschoten, die na een vernietigend KPMG-rapport over hun functioneren moesten opstappen.

Het rapport van De Jonge bevestigt het beeld dat de onderzoekers van KPMG aantroffen: binnen de GSD heerst een chaotische bedrijfsvoering, zodat nauwelijks te meten valt of de taken worden uitgevoerd.

De Jonge trof als erfenis van Baune een sfeer van wantrouwen en falende communicatie aan. Hij maakt zich zorgen over de mentaliteit van het personeel, waarvan volgens hem veertig procent niet in staat zou zijn de benodigde omslag te maken om goed te kunnen functioneren. De Jonge signaleert verder ‘overvliegend management’; een massaal komen en gaan van top- en middenkader.

 

WereldkaartIn ons werkgebied, de E-G wijk van de Bijlmermeer woonden veel mensen uit verre landen. Suriname, de Antillen, Somalië, Afganistan, Ceylon, Ghana, Zaïre en noem maar op, de hele wereld kwam voorbij. Het klinkt misschien gek, maar ik werkte graag in de E-G buurt. Het contact met mensen uit verschillende culturen was interessant en ik leerde met vallen en opstaan veel.  Ik vond het geweldig werk. Iedere dag maakte je wat mee.

Zo kon het gebeuren dat wij op een bepaald moment heel veel bijstandsaanvragen kregen van Sikhs. Sikhs hebben een toevoeging achter hun (achter)naam “Singh”. De volledige naam is bijvoorbeeld Karel Piet Pabbadap Singh. Paddadap Singh is dan de volledige achternaam. Aanvankelijk waren wij net als het Bevolkingsregister hier niet van op de hoogte. Het gevolg is dat veel genaturaliseerde Sikhs nu alleen “Singh” heten terwijl dit alleen maar het laatste deel van hun achternaam is. Het zorgde ook voor gekke taferelen als wij via de intercom  de heer Singh vroegen naar spreekkamer 3 te komen. Meteen stonden er tien mensen met de naam “Singh” op. Dat zal mij nu niet meer gebeuren 😉

Maar er waren ook andere gebeurtenissen die mij bij gebleven zijn. Zo zitten op een dag twee personen tegenover mij. Een Afrikaanse man en een op het oog, iets jongere Afrikaanse vrouw. De man beweerde dat zij zijn dochter was. Op mijn ongelovige vraag over de leeftijd van de vrouw en die van hem, antwoordde hij “I was very young when I became a father”. Uit de controle van de paspoorten bleek niets onrechtmatigs en de papieren leken in orde. Het bleef alleen bij een gevoel dat hij nooit de vader kon zijn. Kennelijk was de vreemdelingendienst akkoord en hadden “vader en dochter” een voorlopige verblijfsvergunning gekregen. Veel, heel veel later kreeg ik een cursus documentcontrole en kwam ik er achter dat waarschijnlijk de verblijfsvergunning en het paspoort vervalst waren. Dat was overigens niet de  laatste keer dat ik een vervalst document in handen had. Een andere keer kwam een man op afspraak die een keurige verblijfskaart liet zien. Er was maar een foutje. Als land van herkomst was “Türkiye” vermeld. Dat zou de vreemdelingendienst nooit doen. Die zouden Turkije vermeld hebben.

Ook de enorme toevlucht van Tamils naar Nederland staat mij nog helder voor de geest. Het waren voornamelijk jonge mannen die een bijstandsaanvraag kwamen doen. Vaak waren ze nog niet bij de vreemdelingendienst  geweest en nog niet in bezit van het A en F formulier, waarmee ze een aanvraag om bijstand konden indienen. De aanvraag werd dus afgewezen. Deze mannen waren duidelijk niet gewend om geholpen te worden door een vrouw. Na mijn reactie dat ze zich eerst moesten melden bij de Vreemdelingendienst en dat zij pas daarna een aanvraag konden indienen, renden ze, zodra die vrij kwam, de spreekkamer van een mannelijke collega in, in de hoop op meer succes. Deze collega stuurde ze natuurlijk zijn spreekkamer uit. Ze hadden immers al antwoord gehad en als ze het er niet mee eens waren konden ze weer een nummertje trekken en achteraan de rij aansluiten, met het risico dat ze weer bij mij terechtkwamen.

Al met al hadden wij het zo druk met de toestroom van Tamils dat wij dagelijks van ’s ochtends 9.00 uur tot 18.00 uur in de middag aan een stuk door in touw waren om de wachtkamer leeg te krijgen. ’s Avonds was ik zo moe, dat ik geen boe of bah meer kon zeggen.

fraude-17808749Zoals gezegd was de controle feitelijk minimaal. De sociale dienst had wel een afdeling Bijzondere Controle, die de als opdracht had de fraude onderzoeken uit te voeren, maar die werd zeer beperkt bij de uitvoering van haar werkzaamheden door gemeentebeleid en politiek. Het was de tijd waarin de discussie over een basisinkomen hoogtij vierde en een huisbezoek als een oneigenlijke inbreuk op de privacy werd gezien.

Aanvankelijk was ik zelf ook die mening toegedaan. Ik dacht dat Fraude een uitvinding was van de politiek waarmee de bezuinigingen op de uitkeringen verdedigd werden. Wat kwam ik met een harde klap op de grond terecht. Ik was eigenlijk nog steeds erg naïef en geloofde heel erg in de “goedheid” van de mens. Daar ben ik wel van genezen. Vertrouwen is goed, maar controle is beter.

Fraude was makkelijk en vrijwel straffeloos. De afdeling bijzondere controle ging alleen achter de grote fraudeurs aan en de “kleine” zaken  werden op de rayonkantoren afgehandeld. De straf was verwaarloosbaar. In het ergste geval terugbetalen en drie maanden uitsluiting van bijstand. En had je het echt bont gemaakt, dan werd de betreffende klant voor een proces verbaal en een mogelijke strafprocedure overgedragen aan Bijzondere Controle. Vaak kwam het niet tot terugbetalen. Ten onrechte genoten bijstand tot een bedrag van 1000 gulden, werd “ABW geboekt”. Afgeschreven. Ik sloeg stijl achterover.

Zoals een collega zei: “we kunnen net zo goed een grabbelton voor de deur zetten.” Toch deden wij wat we konden al hadden we soms het gevoel dat het dweilen met de kraan open was. Wij waren dan ook zeker niet tegen strengere controleregels. Bijstand is gebouwd op de solidariteit van werkende mensen, met hun onfortuinlijke medemens. Fraude ondermijnt dat solidariteitsgevoel. Onze instelling was dan ook om ons werk zo goed mogelijk te doen. Een van de middelen was regelmatige huisbezoeken.

Ik heb al eens eerder verteld dat er veel vreemdelingen in onze wijk woonden. In die tijd waren er ronselaars die mensen, zo van Schiphol en vers uit het vliegtuig, aan een woning in de Bijlmer “hielpen”. Tussen aanhalingstekens, want helpen was het niet, het ging soms om grove uitbuiting. Tijdens huisbezoeken kwamen we ze tegen. Met zijn twaalven in een vierkamer flat. Allemaal stapelbedden in de kamers. Gegeten werd er op de kleed in de huiskamer. Natuurlijk was dit niet voor niets. Voor zo’n bed moest wel betaald worden. De prijs varieerde voor zover ik weet van 250 tot 350 gulden per maand. De hoofdbewoner ontving soms zelf ook een uitkering, maar woonde op een ander adres.

Iedere week gingen wij de wijk in met een uitdraai van het bevolkingsregister, kijken wie er werkelijk op de adressen woonden en om proberen een verklaring te krijgen van de onderhuurders, zodat we de uitkering van de hoofdbewoner konden stoppen. Maar ook waren er veel “schijnverlatingen” en een ander fenomeen: de paspoorthuwelijken.

37_WerklozenIn de tijd dat ik bij de sociale dienst kwam te werken, was het nog niet zoals nu, een echt bedrijf. Met een echt bedrijf bedoel ik met vaste regels en werkprocessen. Het was een bedrijf in transitie. Het was een periode van grote veranderingen. De dienst zat middenin een groeiperiode van een relatief kleine dienst naar een  grote organisatie met wel 35.000 klanten en die groei was nog lang niet ten einde.

Op 24 maart 1982 verscheen er in het Amsterdams Stadsblad een artikel: “sombere prognoses bureau economisch onderzoek, Amsterdam koerst af op zo’n 50.000 werklozen”. In het rapport werd geconcludeerd, dat 1980 als een omslagpunt kon worden beschouwd in de ontwikkeling van de werkloosheid; tot die tijd liep de werkloosheid langzaam omhoog. Vanaf 1980 was er echter sprake van een explosieve toename; waren medio 1980 bij het gewestelijk arbeidsbureau in Amsterdam ongeveer 15.000 werklozen geregistreerd, de cijfers over januari 1982 gaven een verdubbeling van dit aantal te zien, zodat er 30.000 werklozen stonden geregistreerd. En de verwachting van het rapport was, dat het dieptepunt daarmee nog niet was bereikt. Het rapport hield ernstig rekening met zo’n 50.000 werklozen in 1985 in Amsterdam. Deze voorspelling zou uitkomen. (Bron: Bijstandsbond)

Het waren drukke tijden en de organisatie was bij lange na nog niet ingericht op het verwerken van zulke grote aantallen bijstandsaanvragen. Het was roeien met de riemen die we hadden. De dienst was een grote kostenpost en er werd dan ook zo min mogelijk in de dienst geïnvesteerd. Ik kan mij nog een uitspraak van een van de vorige directeuren, Van Dijk herinneren. Hij deelde trots mee in de Divosa (Vereniging van directeuren van sociale diensten) dat wij in Amsterdam de goedkoopste sociale dienst van Nederland waren! Dat was te merken. Niet alleen door de medewerkers, maar ook door de klanten. Zie hierover ook de publicatie van de bijstandsbond.

Als een klant een uitkering kwam aanvragen had hij alleen een (laatste) dagafschrift van zijn bank of girorekening, een inschrijving bij het Arbeidsbureau en een huurcontract of hoofdbewonersverklaring nodig. Met deze drie bewijzen kon je een uitkering aanvragen. Had je voordien gewerkt, dan werd er om een ontslagbrief en uitkeringsgegevens gevraagd. Nog tijdens het intakegesprek kon de klant drie voorschotformulieren ondertekenen. Dit was omdat het minstens drie maanden duurde eer de uitkering regulier tot betaling kwam.

De instructie was om het voorschot zo laag mogelijk te houden. Soms zag je een klant na de intake niet meer en op die manier kon de “schade” zo beperkt mogelijk gehouden worden, tot het recht op uitkering was vastgesteld. Dit had tot gevolg dat mensen soms niet in staat waren om de huur te betalen. Met een voorschot van 350 gulden voor een maand konden niet alle vaste lasten betaald worden. Wij kregen dan ook vaak verzoeken om een “broodnood” betaling. Een voorlopige voorziening, vooruitlopend op de definitieve toekenning van de uitkering. In feite werd door deze werkwijze toeloop van klanten gestimuleerd en was de controle op de rechtmatigheid van de uitkering ver te zoeken.

Het was een drukke tijd en we maakten veel mee met onze klanten. Leuke en minder leuke zaken. Hier vertel ik de sterke verhalen, de gekke en meest opvallende zaken die mij zijn bijgebleven.

Mijn Foto's

Huiswijn