Archive for the ‘Ergernis’ Rubriek

wespennest-dakrand-300x192Daar zat ik dan. In mijn kamertje achter mijn bureau aan het IJsbaanpad. Een keer per week kwam E.N. langs en besprak ik met hem de gang van zaken. Een keer per twee weken was een “overleg” van managers. Het woord overleg is eigenlijk te mooi voor een rondje schreeuwen, het ging tijdens deze overleggen eigenlijk nooit over de FB & P.

FB & P was in dit gezelschap het buitenbeentje, De andere managers gaven leiding aan onderdelen van de H. een re-integratietraject voor werklozen die naast het aanleren van werknemersvaardigheden ook gedisciplineerd moesten worden. Heel ander publiek dan dat van FB & P.

Deze managers leken op hun klanten en waren soms net zo onbehouwen in hun gedrag. Daar kwam bij dat ze E.N. absoluut niet zagen zitten als manager en dat luidkeels lieten weten. Ik was in volkomen verwarring. Ik voelde mij niet thuis in dit gezelschap en ik voelde mij niet veilig in mijn rol van teammanager.

Vanaf het begin was het ook duidelijk dat de re-integratieconsulenten mij helemaal niet zagen zitten. Ik had geen verstand van hun werk en ik kwam van de gehate sociale dienst, dat alleen al was genoeg voor een diskwalificatie. Zij stonden voorop met kritiek, maar waren weinig opbouwend. Zij wilden eigenlijk dat alles bleef zoals het altijd geweest was. Begrijpelijk, ik had hetzelfde meegemaakt maar we moesten verder.

Er speelde van alles. De informele manager van de FB werd na een klik op non actief gezet wegens een vermoeden van fraude. Het opleidingsinstituut dat de training voor de medewerkers van de FB gaf, bleek niet te bestaan en de re-integratieconsulenten hadden aansluiting gezocht bij een ontevreden werkmeester en zaagden aan de poten van mijn bureau.

Er ontstond een machtsstrijd. De boel in de FB werd flink opgestookt. Men vond dat ik te loyaal aan E.N. was en de re-integratieconsulenten vroegen een gesprek aan met de directie om over hun grieven te praten. Naar ik begrepen heb kregen ze nul op het rekest. Intussen was ik tot de conclusie gekomen dat ik hier geen zin in had. Ik kon nog zo mijn best doen, maar het hielp allemaal niks. Ik kon het gewoon niet goed doen bij deze mensen, er was teveel wantrouwen. De oorzaak lag voor een deel in de reorganisatie, het cultuurverschil en de manier waarop de dienst omging met het vermoeden van fraude. Ook mijn onervarenheid was deel van het probleem. Iemand die vaker met dit bijltje gehakt had, zou het zeker beter gedaan hebben.

Ik had de opdracht gekregen om mijn mond te houden over de achtergronden van het verdwijnen van het hoofd opleidingen. Het was ook een rare zaak, van de ene op de andere dag was hij weg en had hij een gebouwverbod opgelegd gekregen. De opleiding van de medewerkers van de FB werd op stel en sprong stopgezet. De laatste groep mocht nog afgemaakt worden, maar daarna was het afgelopen. Vanzelf had ik het daar moeilijk mee. Hoe kan je zonder een tipje van de sluier op te lichten vertellen wat er aan de hand is, zonder iemand te beschadigen? Tot op de dag van vandaag weet ik zelf niet eens precies wat er aan de hand was.

Na lang en hard nadenken besloot ik om de pijp aan maarten te geven. Leidinggeven was duidelijk niets voor mij. Het was misschien anders geweest als ik leiding had kunnen geven aan een uitkeringsteam van DWI. Daar lag immers mijn expertise. Ondanks dat mijn leidinggevende en de directie een andere mening toegedaan waren, had ik het gevoel dat als ik manager zou blijven, het voor mij zou eindigen met een burn-out.

8 december 2006, na een jaar ploeteren, heb ik in een brief aan E.N., meegedeeld dat ik er mee ophield. Ik was ontevreden over mijn eigen functioneren en was van mening dat ik er niet in geslaagd was het vertrouwen van de medewerkers van de FB te winnen. Ik hoopte dat een nieuwe manager het beter zou doen.

E.N. vroeg mij aan te blijven als manager van de afdeling P. De afdeling P. zou afgebouwd worden en opgeheven. Er was te weinig vraag naar de ondersteuning van de medewerkers om het handhaven van de afdeling te verdedigen. De medewerkers moesten herplaatst worden binnen de dienst. Dat heb ik nog een half jaar gedaan tot de afdeling 1 juli 2007 definitief opgeheven werd. Intussen had ik mij aangemeld bij het loopbaanbureau voor een nieuwe baan en was ik weer gestart met solliciteren.

Manager_Losing_Interest_In_a_Resume (Large)En dan ben je manager, maar je voelt jezelf geen manager. Ik was in verwarring. Die verwarring werd verder gevoed door de mensen om mij heen.

Plotseling was ik populair. Ik werd gegroet door mensen die mij voorheen niet bekeken. Een bepaalde personeelsadviseur waar ik een aantal keer een aanvaring mee had, was plotseling poeslief en collega’s waar ik voorheen fijn mee samenwerkte hielden afstand. Het leek wel alsof ik plotseling in een andere wereld terechtkwam.

Tijdens de kennismaking met mijn nieuwe leidinggevende E.N. merkte die op dat ik wel een goed assessment gedaan moest hebben om zo zonder enige ervaring benoemd te worden. Hij bleek vast omlijnde ideeën te hebben over hoe hij mijn rol zag en de aansturing van FB & P. Achteraf heb ik het gevoel dat hij niet echt vertrouwen in mij had. Hij had weinig tijd voor ondersteuning als gevolg van zijn eigen ambitie. Het was voor hem heel belangrijk dat er zoveel mogelijk rust was in de tent.  Intussen was ik in een wespennest terecht gekomen.

FB & P was eigenlijk niet één team, het waren er twee. Twee volkomen verschillende afdelingen met volkomen verschillende taken. De afdeling P was er een met bijzonder onduidelijke taken en zonder werk. Het ging om een afdeling die als een soort intern uitzendbureau van medewerkers moest fungeren. Alleen zat niemand op de betreffende medewerkers te wachten. Het was een divers groepje mensen met heel verschillende achtergrond en capaciteiten. Er was geen duidelijke taakomschrijving en er waren ook geen opdrachten. Alsof dit nog niet genoeg was bleek de afdeling P gevuld met mensen die voor een deel geplaatst waren omdat men niet goed wist wat anders met hen te doen.

Heel anders was de FB. Dat was een re-integratietraject voor langdurig werklozen die een baan ambieerden in de sociale dienstverlening. De afdeling bestond uit een hoofd opleidingen, een oudere man die eigenlijk altijd de – informele – baas geweest was, een teamassistente en een boekhouder. Daarnaast waren er 125 deelnemers die een opleiding van een half jaar volgden en daarna geplaatst werden in een additionele baan bij een instelling voor maatschappelijke dienstverlening of een steunpunt in de stad.

Naast de vaste staf van de FB waren er drie re-integratieconsulenten en vijf werkmeesters die de teams van de FB in de stad aanstuurden. De oude werkmeesters waren vrijgevochten types die eigenlijk altijd een volkomen vrije hand gehad hadden. Als gevolg van de reorganisatie waren er grote veranderingen gekomen in de rol van de werkmeester en de aansturing van de teams.

De oude werkmeesters moesten hun werk overdragen aan een vijftal nieuwe en solliciteren naar een andere baan. De oude werkmeesters werden beter betaald en waren meer een soort van teammanagers. De nieuwe werkmeesters werden twee volle salarisgroepen lager aangesteld en werden “meewerkend voorman”. Dat zette kwaad bloed en werd als erg oneerlijk ervaren. De werkmeesters stuurden elk een team van 25 man aan en moesten deze mensen begeleiden en werknemersvaardigheden bijbrengen.

Als kers op de taart waren er drie re-integratieconsulenten toegewezen aan de FB die  elk in een heftig rouwproces zaten over de opheffing van hun oude werkgever Maatwerk. Het zinnetje “bij Maatwerk deden we dit anders” lag in hun mond bestorven.

Ik was manager geworden van een berg problemen in een werksoort waar ik niet echt vertrouwd mee was, een hele uitdaging! Ik gaf mijzelf een jaar om te bekijken of dit was wat ik wilde en of ik dit aankon, want dat dit geen gemakkelijke klus zou worden werd mij al snel duidelijk.

functioneringsJarenlang bleef het bij een voornemen: telkens aangekondigd, gestart, maar nooit afgemaakt. Functioneringsgesprekken. Ik heb een aantal keer een cursus “functioneringscyclus” mogen volgen, maar er kwam geen vervolg. De procedure werd nooit gevolgd, het planningsgesprek – waarin de agenda voor het functioneringsgesprek bepaald wordt – werd overgeslagen en afspraken “vergeten”.

Het begon al bij mijn entree. Vooraf aan de vaste aanstelling moest er in de derde en de negende maand een functioneringsgesprek gevoerd worden. Dat werd vergeten. Het gevolg was dat ik mijn gesprekken later kreeg. Dat was geen probleem, want ik kreeg een heel goede beoordeling. Daarna bleef het jarenlang rustig op het functioneringsfront. Ten tijde van de Reo ’92 wilde men de functioneringsgesprekken nieuw leven inblazen. Wij kregen allemaal een cursus over hoe de functioneringscyclus er uit zag, onze rechten en aan welke spelregels de functioneringscyclus moet voldoen. Ook na deze training, die niet alleen voor medewerkers was, maar ook voor leidinggevenden, hield men zich niet aan de afspraken.

Ik was intussen vakbondsconsulent geworden en kreeg klachten te behandelen van mensen die een slechte beoordeling gekregen hadden en soms zelfs uit hun functie gezet waren. Waar de regels met voeten getreden werden en waarbij er ook geen dossier rondom het functioneren was opgebouwd.

De regels zijn helder: er kunnen alleen consequenties aan een functioneren verbonden worden als je de hele trits: planning, functioneren, verbeterafspraken, planning, disfunctioneren etc. gevolgd hebt én als dat ook allemaal is vastgelegd in het personeelsdossier en de medewerker getekend heeft voor “akkoord” of “gezien”. De ambtenaar moet óf onbekwaam óf ongeschikt zijn. Er moeten concrete voorbeelden zijn van het disfunctioneren.

In de tijd dat ik vakbondsconsulent was, bleek dat deze procedure nooit gevolgd werd. Ontslag werd daarmee vrijwel onmogelijk ondanks dat de werkgever wel degelijk een punt had. Zo heb ik voor mensen procedures gevoerd en gewonnen, waar ik zelf ook zo mijn twijfels bij had. Het was kennelijk beleid om personeelsdossiers niet bij te houden. Duur beleid! In het CAR-UWO staat het als volgt:

In de regel wordt een medewerker als ongeschikt beschouwd wanneer zijn gedrag of zijn persoonlijkheid een goede vervulling van de functie in de weg staat. Hierbij moet wel kunnen worden aangetoond dat er inderdaad een relatie ligt tussen de slechte functievervulling en de persoonlijkheid van de medewerker. Dit is in de regel niet gemakkelijk. Een aanduiding als ‘past niet in het team’ is bijvoorbeeld onvoldoende omdat hiermee geen directe relatie wordt gelegd tussen de inhoud van de functie en het functioneren van de medewerker als individu. Ook mag de ongeschiktheid niet het gevolg zijn van ziekte.

of:

Een medewerker wordt als onbekwaam beschouwd wanneer hij blijvend onvoldoende kennis, vaardigheden of niveau heeft om zijn functie naar behoren te kunnen uitoefenen. In de praktijk is het onderscheid tussen ongeschiktheid en onbekwaamheid vaak moeilijk te maken en kan men een keuze beter vermijden. Terughoudendheid van deze ontslaggrond dient te worden betracht indien de gemeente zelf heeft bijgedragen aan omstandigheden die het disfunctioneren van de medewerker (mede) tot gevolg hebben.

Maar er is ook een andere, positieve kant. Managers worden door de functioneringscyclus gedwongen om tenminste periodiek met een medewerker om de tafel te gaan zitten en te spreken over het werk. Na de Reo ’92 werd het functioneringsgesprek nieuw leven in geblazen. Ik had een kersverse manager die het graag goed wilde doen. Hij was alleen altijd zo druk met zijn eigen werk, dat hij geen zicht had op wat wij, als zijn stafmedewerkers beleid, uitspookten. Hij gaf wel opdrachten, maar hield kennelijk niet bij hoe die uitgevoerd werden.

Zo kon het gebeuren dat ik op een gegeven moment uit een functioneringsgesprek kwam met een vervelend gevoel. Het was meer een ritueel dan een echt gesprek. Ik had het gevoel dat het functioneringsgesprek een klus was die hij als manager moest doen, in plaats van dat hij werkelijk geïnteresseerd was in mijn functioneren. Daar komt bij dat ik natuurlijk altijd voor de hoogste beoordeling ga. Een zesje is net zoveel werk als een acht, dus wil ik een acht. Had hij mij die acht (in dit geval een “D”) gegeven, dan had ik het er wellicht bij laten zitten. Maar dat was niet zo. Hij had mij op een aantal niet zwaarwegende punten een “C” gegeven. Vermoedelijk om de indruk te wekken dat er echt naar mijn functioneren gekeken was. Los daarvan had ik een “D” gekregen voor een onderwerp waar ik dat jaar helemaal niets mee had gedaan! Ik was boos. Ik was heel boos.

Waarom was ik zo boos? Ik was boos door het gebrek aan interesse dat sprak uit de beoordeling. Hij wist kennelijk niet wat ik dat jaar wel en niet gedaan had. Het functioneringsgesprek van het jaar daarvoor werd gewoon klakkeloos overgeschreven met hier en daar een kleine aanpassing in de beoordeling. Had hij aanmerkingen gemaakt op tekortkomingen die ik wel degelijk heb, en had hij geweten waar ik mee bezig was, dan had ik niets gezegd. Maar hij gaf mij een mindere beoordeling op punten die juist niet klopten. Hij had van het functioneringsgesprek een invuloefening gemaakt.

FugeNatuurlijk nam ik dat niet. Ik heb aan hem een brief gestuurd met daarin mijn aanmerkingen op de beoordeling en het verzoek om het gesprek nog eens over te doen.

Dat gesprek is er nooit gekomen. Wel kreeg ik een nieuw verslag van het functioneringsgesprek, waarin de gehate “C”’s omgezet waren in “D”. Heel paradoxaal werd ik daarna nog bozer. Hoe ongeïnteresseerd kan je zijn!

Vlaardingenlaan1-06-1986 trad ik in dienst bij de Sociale Dienst Amsterdam als bijstandsmaatschappelijk werker. Ik kan mij nog het arbeidsvoorwaardengesprek herinneren. Het gesprek met de personeelsadviseur werd gevoerd in het kantoor van de Sociale Dienst in Reigersbos, samen met Lea, een jonge vrouw van 19 jaar die gelijk met mij was aangenomen. Dat was – zo hoorden wij – eigenlijk een vergissing, want er werden bij de sociale dienst geen mensen aangenomen die jonger waren dan 21. De idee was dat ouderen meer levenservaring hebben, wat goed van pas komt als je dagelijks met mensen in de problemen omgaat. Ik weet nog dat zij een MBO-diploma had en daarom een of twee periodieken meer kreeg dan ik, die geen vooropleiding had. Ik was weliswaar met een HBO-opleiding bezig, maar ik had nog geen diploma. Achteraf bezien ben ik toen veel te makkelijk akkoord gegaan met mijn salarisindeling. Voor mij was op dat moment het belangrijkste dat ik uit de uitkering was en niet langer mijn hand hoefde op te houden. Ik werd aangesteld in de rang van adjunct-commies B met een salaris van 2572,- gulden, netto net iets meer dan mijn uitkering.  Ik was blij. Ik had werk.

Aanstelling_adjunctcommies_BVoor wij losgelaten werden op klanten moesten wij een interne opleiding volgen in het hoofdkantoor van de sociale dienst aan de Vlaardingenlaan. Een kantoor waar ik ooit een keer als klant geweest was. Ik zal het nooit vergeten, dat bezoek maakte een onuitwisbare indruk.

Ik had een pleegkind, en in die tijd moest de pleegkinderenvergoeding aangevraagd worden via de afdeling BVV van de Sociale Dienst in de Gerard Doustraat. Ik sprak daar met mevrouw H. een gedesillusioneerde dame, die mijn verzoek in behandeling nam en na het overleggen van alle vereiste documenten tegen mij zei “vroeger zou ik een huisbezoek afgelegd hebben, maar nu ze onze afdeling opdoeken, doe ik dat niet meer”. Tijdens het gesprek moesten een aantal formulieren ondertekend worden waarna ik een formulier kreeg dat ik moest inleveren bij de Kas aan de Vlaardingenlaan. Met dat formulier kon ik de cheque voor een voorschot ophalen. De cheque kon ik innen bij een postkantoor of bank.

Ik, met mijn hond – die kon ik niet alleen thuis laten – naar het kantoor van de Sociale Dienst. Wat ik daar meemaakte. Het was een gekkenhuis. Een wachtkamer boordevol mensen. Smerige kunststoffen stoeltjes en een rij hokjes, waar je als je aan de beurt was geholpen werd. Ik heb een nummertje getrokken en wachtte netjes op mijn beurt. In de tussentijd zag ik hoe het bij de hokjes af en toe duwen en trekken was. Ondanks dat het lang wachten was, durfde ik niet naar het toilet, daar waren verslaafden die open en bloot drugs gebruikten. Het leek wel wild west.

Toen ik eindelijk aan de beurt was, glipte iemand anders voor mij  in het hokje. Op mijn gesputter kreeg ik het advies van een andere klant om het anders aan te pakken. “Zodra de deur opengaat duik je er in.” Dat deden er kennelijk meer. En dat heb ik bij de eerst volgende gelegenheid ook gedaan. In het hokje bevonden zich twee heren achter een soort balie, die vroegen wat ik kwam doen. Ik overhandigde het formulier, waarop zij zonder uitleg vertrokken en mij verbouwereerd achter lieten. De wereld van bijstandsontvangers was mij volkomen vreemd en ik snapte er niets van. Na een poos wachten kwamen zij terug met de cheque. Of ik hier even wilde tekenen?

Met deze ervaring in het achterhoofd ging ik samen met Lea, die in Holendrecht woonde, naar de Vlaardingenlaan voor de FV (Financiële Voorzieningen) opleiding.

Na mijn ontslag bij Ons Belang was ik behoorlijk depressief. Ik miste mijn werk en collega’s. Ik voelde mij voor de eerste keer echt werkloos en dat was geen fijn gevoel. Niet alleen moest ik naar het Arbeidsbureau om mij in te schrijven, maar ook moest ik een uitkering aanvragen.

Bij mijn bezoek aan het Arbeidsbureau kreeg ik een kaart. Een inschrijvingsbewijs met daarop n.t.b. en aandachtsbestand 1B. Op mijn vraag wat dat betekende kreeg ik als antwoord. n.t.b. is “nog nader te bepalen”. (In de volksmond: “Niet te bemiddelen”.) Volkomen verbouwereerd liep ik het gebouw uit. Ik had geen diploma’s, maar ik had toch echt de afgelopen jaren niet stilgezeten, eerder het tegendeel. Je zou toch denken dat met een fors arbeidsverleden (ik werkte immers vanaf mijn 16e) er toch wel ergens een baantje voor mij moest zijn.

mooi-lelijk-02-04-11

Ik stortte mij op het solliciteren. Ik kon niet geloven dat er geen werk voor mij was. Meestal werd ik ongezien afgewezen en in die gevallen waar ik wel werd uitgenodigd, bleek men mijn sollicitatiebrief niet gelezen te hebben, stelde men vreemde vragen en soms was men ronduit onbeschoft. Zo kan ik mij herinneren dat ik solliciteerde bij een bedrijf waar ik aanvankelijk een prettig gesprek had met de personeelschef en zag het er volgens mij goed uit. Wel moest de directeur nog even zijn goedkeuring geven. Die komt tijdens het gesprek binnenlopen, bekijkt mij en schudt zijn hoofd. Kennelijk voldeed ik niet aan het “beeld” dat de man van een nieuwe werknemer had. Werden daar wellicht de mensen op uiterlijk geselecteerd? De personeelschef excuseerde zich voor het onbeschofte gedrag van zijn baas, maar de baan kreeg ik niet.

Afstand weerhield mij niet bij sollicitaties. Zo heb ik ook ooit gesolliciteerd in Dordrecht. Ik had op dat moment een uitkering en je zou zeggen dat als je uitgenodigd wordt voor een gesprek, de reiskosten vergoed worden. Niets van dit alles. Een reis voor niets, want de baan kreeg ik niet en een reiskostenvergoeding kon er niet af.

sollicitatieTijdens een andere sollicitatie werd ik afgebekt door een medewerkster van het bedrijf. Deze medewerkster was bij het gesprek aanwezig als vertegenwoordigster van het team. Kennelijk keek ik af en toe weg van mijn gesprekspartners want dit leverde mij het commentaar op “u kijkt telkens naar rechts, hangt daar in uw bedrijf de klok?”. Ik was volkomen van slag over deze vijandige opmerking en daar bleef het niet bij. Deze mevrouw had kennelijk een nogal superieur beeld van zichzelf want een andere opmerking die zij maakte was “om hier te kunnen werken moet u minstens MBO-niveau hebben”. Hierop antwoordde ik dat ik inderdaad geen MBO-niveau had, maar HBO en dus ruimschoots gekwalificeerd was voor de werkzaamheden. Het ging namelijk niet om een bepaald moeilijke baan en ook niet om werk dat ik nooit eerder had gedaan. Ik was afgebokt en boos. Als werkloze kan men kennelijk maar van alles tegen je zeggen en je behandelen als een halve idioot. Dit laatste gesprek deed voor mij de deur dicht. Ik moest iets doen en ik besloot om weer de gang naar het Arbeidsbureau te maken en om hulp te vragen.

Op mijn vraag of het arbeidsbureau mij kon helpen bij het vinden van een baan kreeg ik te horen ” als u nu boekhouden gestudeerd had was u bemiddelbaar geweest tot uw 40e. Nu kunnen wij helaas niets voor u doen. U heeft geen diploma’s en met uw leeftijd (36) bent u onbemiddelbaar”. Hierop barstte ik in tranen uit. Ik was onbemiddelbaar, met 36 te oud en afgeschreven.

Snikkend vroeg ik of een opleiding verandering in dit oordeel zou brengen. De mevrouw vroeg wat wil je dan doen? Ik gaf hierop aan dat ik wel naar de Sociale Academie wilde. Haar reactie was dat daar ook niet veel werk in was.  Kennelijk vermurwd door mijn tranen, duwde ze mij een foldertje in de handen met daarin een subsidieregeling voor vrouwen in een “achterstandssituatie”. Als je voldeed aan de normen, kon je een tegemoetkoming krijgen voor studiekosten. Ter plekke besloot ik mij aan te melden voor een opleiding bij de Sociale Academie.

De volgende dag heb ik een gesprek aangevraagd bij de Sociale Academie in Amsterdam. Daar werd mij verteld dat ik een toelatingsexamen zou moeten doen, omdat ik geen vooropleiding had die toegang gaf tot de HBO-opleiding Maatschappelijk Werk. Als ik slaagde voor het examen, zou ik toegelaten worden tot de opleiding. De rest is geschiedenis. Ik ben geslaagd voor het toelatingsexamen, wat overigens het zwaarste examen is dat ik ooit heb afgelegd en werd toegelaten tot de part-time opleiding Maatschappelijk Werk. Ik moest wel nog een stageplaats zien te vinden in het werkveld van de opleiding. De opleiding was een dag in de week en ik moest dus een werkplek zien te vinden voor 4 dagen.

Mijn Foto's

Huiswijn