Archief van mei 2015

Vervanging MW1 - 1990In december 1989 werd ik benoemd tot waarnemend MW1 (Maatschappelijk Werkende 1e klas). Vanaf dat moment mocht ik beslissingen nemen op aanvragen om bijstand.

Vroeger was het zo dat de beslisser, MW1 of groepschef zijn akkoord tekende met een rode pen. De chef binnendienst die de niveau 2 beslissingen nam, met een groene, en de rayonmanager die de beslissingen nam waarvoor een akkoord op het een na hoogste niveau nodig was met zwart. Vandaar dat MW1’s nog wel eens werden uitgemaakt voor roodschrijvertjes.

Er was een getrapte beslisstructuur. De gewone beslissingen op bijstandsaanvragen werden genomen door de MW1 en de groepschef. Beslissingen waarbij bijvoorbeeld sprake was van een afwijzing van een huurschuldsanering van een eenoudergezin was een niveau 2 beslissing, die genomen werd door de chef buitendienst, en als die niet aanwezig was, de rayonmanager. Ook konden beslissingen waarbij de MW1 of groepschef het niet eens konden worden met de medewerker voorgelegd worden aan het RAC. De Rayon Advies Commissie. Het RAC werd gevormd door een aantal medewerkers, MW1 en groepschefs. De medewerker kon dan in het RAC zijn advies verdedigen. Beslissingen over het afschrijven van vorderingen werden genomen in het hoofdkantoor, door de hoofdambtenaar, in mijn tijd Piet van Dalen.

Voorwaarde bij mijn bevordering tot MW1 was dat ik de toetsopleiding zou volgen. Dat heb ik met plezier gedaan en vanzelf heb ik de opleiding met succes afgesloten.

Mijn waarneming werd keer op keer verlengd. In het kader van de “Reo 92” werd in 1990 de functie van MW1 en groepschef opgeheven en vervangen door de nieuwe beslisfunctie. De beslisser had niet langer de verantwoordelijkheid voor de aansturing van een team. Dit werd overgenomen door de nieuwe Unitchef.

Ik heb de functie van MW1 waargenomen tot 1 december 1990. Per die datum werd ik benoemd tot beslisser onderzoek en bevorderd naar de rang van hoofdcommies A. Hoe die bevordering ging vertel ik in een ander bericht.

Bevordering hoofdcommies A - 1991

 

FobieDe werkwijze in ons rayonkantoor werd gewijzigd. Door de grote dagelijkse toeloop van mensen, werd er een informatiebalie ingesteld. Klanten met een vraag moesten een nummertje trekken en werden dan in een staloket geholpen. Doelstelling was om in de infobalie alleen kortdurende contacten van maximaal 10 minuten te hebben. De idee was dat zo de wachtkamer eerder leeg zou zijn doordat de kortdurende vragen meteen beantwoord en afgehandeld werden. Ook kon via de infobalie een afspraak gemaakt worden voor het aanvragen van bijstand. De klant kreeg dan meteen in een keurig mapje een boodschappenlijstje mee met daarop alle gegevens en bewijzen die nodig waren voor het afhandelen van de aanvraag, plus een afspraak voor de intake.

Het was een goed idee, maar het pakte heel anders uit. Door de enorme toestroom van klanten – de Bijlmer was de enige plek waar mensen makkelijk aan een huis konden komen – zat de wachtkamer dag aan dag stampvol. Ook de medewerkers hadden op de duur tegenzin om aan de balie te werken. Om de grote toestroom in te dammen werden de openingstijden van de infobalie beperkt van 9.00 tot 11.00 uur. Klanten die te laat kwamen werden niet geholpen en moesten de volgende dag terugkomen. De frustratie van klanten liep hoog op. Mensen drongen voor en soms werden mensen bedreigd om hun nummertje af te geven.

Klanten vonden dat ze niet goed geholpen werden en regelmatig waren er incidenten. Zoals klanten die over de balie probeerden te klimmen. De politie was vaste “klant”. Het was een heksenketel. De infobalie kreeg daarom onder medewerkers de betiteling: Fobiebalie.

Het was niet leuk werken aan de “fobiebalie”.  De oplossing werd gezocht in het aanstellen van een aantal vaste medewerkers. Dit waren voor het merendeel collega’s die een hekel hadden aan de eindeloze stroom dossiers. Aan de infobalie hoefden ze geen rapportages te maken, maar konden ze volstaan met het geven van een antwoord op een vraag, en als dat niet mogelijk was, het neerpennen van het verzoek en dat doorspelen naar het betreffende team. Wij werden als aanvulling ingezet en dan nog alleen voor de eigen wijk.

Meestal koos ik er voor om in het loket te zitten waarin de aanvragen afgegeven werden. Dat was een “zitloket”, een spreekkamer naast de infobalie. Ik vond deze werkwijze prettiger. Er was maar een minpunt. Ik wilde per se niet naast het loket van een bepaalde collega werken. Bij haar ging de ene na de andere klant uit zijn dak. Oorzaak was haar standaard antwoord op een verzoek. Haar eerste reactie was altijd een bot “nee” met als gevolg veel boosheid en geschreeuw. Ik merkte dat mijn klanten, als zij het misbaar in het loket naast ons hoorden, verstrakten en dat hun houding naar mij veranderde. Gesprekken liepen meteen een stuk minder vlot. Uiteindelijk heb ik tegen de chef van de infobalie gezegd dat ik tot alles bereid was, maar niet meer in een loket naast deze collega.

 

 

misverstandOp een dag komt een Iraanse vrouw aanvullende bijstand aanvragen. Zij werd vergezeld van haar goed Nederlands sprekende Iraanse vriendin. De vrouw had een verzoek; ze kon niet uitkomen met haar geld en vroeg of wij haar uitkering konden verhogen. De vriendin onderstreepte het verzoek met: “Ik ben getrouwd met een arts, ik krijg maandelijks 3000 gulden huishoudgeld en ik kan ook niet rondkomen. Hoe moet zij dat dan doen van 1000 gulden?”

Veel van de vluchtelingen voor Khomeiny waren vroeger ten tijde van de shah rijk geweest en hadden al hun rijkdommen achter moeten laten. Voor hen was het sappelen. Het was een hele klus om aan de vriendin uit te leggen dat de meeste mensen het met minder moeten doen en dat 3000 gulden huishoudgeld echt een uitzondering is.

Een ander voorbeeld is een aanvraag van een stel uit Zaïre om een woninginrichting. Zij hadden een keurige lijst gemaakt met alles wat zij nodig hadden. Jammer genoeg voor hen konden uitsluitend noodzakelijke artikelen vergoed worden. Dus geen TV, geen CD-speler enz. Een woninginrichting bestond uit een een bank, een tafel, stoelen, lampen, bedden en keukengerei. Voor alles de meest eenvoudige, maar afdoende uitvoering. In de grijze bundel was een prijslijst opgenomen waarin precies stond welke artikelen je kon vergoeden en wat de gemiddelde prijs van dat artikel was.  Het stel was volkomen onthutst toen ik meedeelde dat het mij speet, maar dat het helaas niet mogelijk was om alles dat op hun verlanglijstje stond te vergoeden. “Maar al onze vrienden hebben die artikelen wel”. Leg dan maar eens uit, in je slechte Frans, dat zij die de bewuste artikelen niet van de sociale dienst hadden gekregen…

Het misverstand bestond dat in Nederland je alleen maar hoeft te melden bij de sociale dienst en je bent rijk, je krijgt geld (een uitkering), een huis en een volledige inrichting inclusief alle luxe. Voor iemand die weinig tot niets heeft in het land van herkomst is dat een aantrekkelijk vooruitzicht. Het is een hele teleurstelling als achteraf blijkt dat dit verwachtingspatroon niet klopt. Ondanks dat in de jaren ’80 en begin jaren ’90 van de vorige eeuw er veel meer mogelijk was dan nu, en mensen veel makkelijker een beroep konden doen op de bijstandswet. Er was nog geen koppelingswet en nog geen Regeling Opvang Asielzoekers ( ROA). Grote aantallen gelukszoekers en vluchtelingen kwamen dan ook naar Amsterdam.

Maar er waren ook andere “misverstanden”. Ik kan mij de meneer nog herinneren die boos uitriep toen ik hem meedeelde dat zijn aanvraag afgewezen zou worden “Dat is zeker omdat ik wit ben!” De volgende dag wierp een andere klant mij bij een soortgelijk bericht naar het hoofd “Dat is zeker omdat ik zwart ben!” Het was een uitdaging om uit te leggen dat het advies niets te maken heeft met kleur of afkomst, maar dat de bijstandswet nu eenmaal bepaalde uitgangspunten heeft en dat sommige zaken nu eenmaal niet mogelijk zijn. Dat er een territorialiteitsbeginsel bestaat, die bijstand voor kosten in het buitenland niet toestaat. Dat er zoiets als voorzienbaarheid en verantwoordelijkheid voor de voorziening in het eigen bestaan is. En dat als jij zelf de keuze maakt om een grootbeeld televisie te kopen in plaats van een koelkast, de gemeenschap niet verplicht is om een koelkast te vergoeden.

Ik probeerde altijd uit te leggen waar mijn advies op gebaseerd was en dat het niet ging om willekeur of onwil. Vaak ging de klant dan toch nog tevreden over de uitleg de deur uit al had hij niet gekregen waarvoor hij kwam.

WereldkaartIn ons werkgebied, de E-G wijk van de Bijlmermeer woonden veel mensen uit verre landen. Suriname, de Antillen, Somalië, Afganistan, Ceylon, Ghana, Zaïre en noem maar op, de hele wereld kwam voorbij. Het klinkt misschien gek, maar ik werkte graag in de E-G buurt. Het contact met mensen uit verschillende culturen was interessant en ik leerde met vallen en opstaan veel.  Ik vond het geweldig werk. Iedere dag maakte je wat mee.

Zo kon het gebeuren dat wij op een bepaald moment heel veel bijstandsaanvragen kregen van Sikhs. Sikhs hebben een toevoeging achter hun (achter)naam “Singh”. De volledige naam is bijvoorbeeld Karel Piet Pabbadap Singh. Paddadap Singh is dan de volledige achternaam. Aanvankelijk waren wij net als het Bevolkingsregister hier niet van op de hoogte. Het gevolg is dat veel genaturaliseerde Sikhs nu alleen “Singh” heten terwijl dit alleen maar het laatste deel van hun achternaam is. Het zorgde ook voor gekke taferelen als wij via de intercom  de heer Singh vroegen naar spreekkamer 3 te komen. Meteen stonden er tien mensen met de naam “Singh” op. Dat zal mij nu niet meer gebeuren 😉

Maar er waren ook andere gebeurtenissen die mij bij gebleven zijn. Zo zitten op een dag twee personen tegenover mij. Een Afrikaanse man en een op het oog, iets jongere Afrikaanse vrouw. De man beweerde dat zij zijn dochter was. Op mijn ongelovige vraag over de leeftijd van de vrouw en die van hem, antwoordde hij “I was very young when I became a father”. Uit de controle van de paspoorten bleek niets onrechtmatigs en de papieren leken in orde. Het bleef alleen bij een gevoel dat hij nooit de vader kon zijn. Kennelijk was de vreemdelingendienst akkoord en hadden “vader en dochter” een voorlopige verblijfsvergunning gekregen. Veel, heel veel later kreeg ik een cursus documentcontrole en kwam ik er achter dat waarschijnlijk de verblijfsvergunning en het paspoort vervalst waren. Dat was overigens niet de  laatste keer dat ik een vervalst document in handen had. Een andere keer kwam een man op afspraak die een keurige verblijfskaart liet zien. Er was maar een foutje. Als land van herkomst was “Türkiye” vermeld. Dat zou de vreemdelingendienst nooit doen. Die zouden Turkije vermeld hebben.

Ook de enorme toevlucht van Tamils naar Nederland staat mij nog helder voor de geest. Het waren voornamelijk jonge mannen die een bijstandsaanvraag kwamen doen. Vaak waren ze nog niet bij de vreemdelingendienst  geweest en nog niet in bezit van het A en F formulier, waarmee ze een aanvraag om bijstand konden indienen. De aanvraag werd dus afgewezen. Deze mannen waren duidelijk niet gewend om geholpen te worden door een vrouw. Na mijn reactie dat ze zich eerst moesten melden bij de Vreemdelingendienst en dat zij pas daarna een aanvraag konden indienen, renden ze, zodra die vrij kwam, de spreekkamer van een mannelijke collega in, in de hoop op meer succes. Deze collega stuurde ze natuurlijk zijn spreekkamer uit. Ze hadden immers al antwoord gehad en als ze het er niet mee eens waren konden ze weer een nummertje trekken en achteraan de rij aansluiten, met het risico dat ze weer bij mij terechtkwamen.

Al met al hadden wij het zo druk met de toestroom van Tamils dat wij dagelijks van ’s ochtends 9.00 uur tot 18.00 uur in de middag aan een stuk door in touw waren om de wachtkamer leeg te krijgen. ’s Avonds was ik zo moe, dat ik geen boe of bah meer kon zeggen.

Herinneringen_hippocampusHerinneringen zijn een gek ding. Vaak gekleurd, onvolledig en eenzijdig. Je herinnert je over het algemeen niet de gewone, dagelijkse dingen, maar die zaken die er uit springen. Die opvallen, die je geraakt hebben, of waar je verwonderd bij stil bent blijven staan. Herinnering is dus niet per se natuurgetrouw of de waarheid. Het is mijn waarheid. Niet per se dé waarheid.

Mijn avonturen in bijstandsland zijn daarmee geen correcte weergave van de werkelijkheid. Er waren genoeg “gewone” zaken. Mensen die hun baan kwijtgeraakt waren en tijdelijk een uitkering nodig hadden. Het waren er veel en ze zijn mij ook niet echt bijgebleven. Vandaar dit wellicht eenzijdige beeld van mijn jaren als bijstandsmedewerker.

De betiteling Bijstands maatschappelijk werker werd al snel na mijn indiensttreding vervangen door buitendienstmedewerker,  onderzoeksmedewerker en bijstandsmedewerker. Klantmanager ben ik nooit geworden. tegen die tijd had ik een andere baan binnen de sociale dienst. Maar daarover later meer.

Mijn Foto's

Huiswijn